Recht op een fatsoenlijk bestaan


Het waren geschoolde arbeiders die voor het eerst het initiatief namen om een landelijke organisatie te beginnen. In 1866 zag de Algemeene Nederlandsche Typografen Bond (ANTB) het licht. Hun voorbeeld werd nagevolgd door timmerlieden, schilders en meubelmakers. Werkgevers probeerden deze organisaties vaak te bestrijden, maar het organisatievirus zegevierde.

‘Afgestompte en uitgemergelde arbeiders werkten voor vijf gulden per week in een tijd dat het brood verschrikkelijk duur was'

In 1866 richtte een aantal typografen de Algemeene Nederlandsche Typografen Bond (ANTB) op, de eerste vakbond van ons land. Van enige sympathie bij de patroons was geen sprake. Ze bestreden de nieuwe organisatie fel, als mogelijke aantasting van hun macht. Zij bepaalden loon en arbeidsduur en niemand anders! De bond kreeg het zwaar te verduren, maar wist te overleven. Daarmee werd de ANTB een voorbeeld voor andere werklieden, die zich ook landelijk gingen organiseren.

Lees lange versie

Tot 1798 kende ons land gilden. Deze gilden bepaalden per plaats en per beroep hoe er werd gewerkt, tegen welke prijzen de producten mochten worden geleverd en hoe de kwaliteit kon worden bewaakt. Aspecten waar de liberale ideologie van de vrije markt en de individuele burger sterk op tegen was. Tegelijk vormden de gilden een sociaal vangnet voor hun leden. Wanneer een lid ziek werd, in de problemen kwam door ouderdom of overleed, dan zorgde het gilde voor bestaanszekerheid of een fatsoenlijke begrafenis. Ook dit collectieve vangnet viel niet in de smaak bij de aanhangers van de Franse Revolutie, die sinds enige tijd Nederland bezetten. Daarom werden gilden in 1798 verboden.

De eerste fondsen

Al vrij snel na dit verbod richtten werklieden soms begrafenisfondsen op. Zij deden dit om nabestaanden te vrijwaren van de hoge kosten die een begrafenis met zich meebracht. Ongeacht de armoede waarin mensen soms leefden, toch wilden ze op een nette manier ter aarde worden besteld. Naast deze ‘dooiefondsen’ waren er ook ziekenkassen, bedoeld om de arbeidersgezinnen te behoeden voor al te grote inkomensdaling tijdens ziekte. Een goed voorbeeld van een dergelijke ‘knechtsbos’, zoals ze ook wel werden genoemd, is het Groninger Fonds voor Boekverkopersbedienden en Boekdrukkersknechts. Dit fonds werd tijdens een epidemie in 1826 opgericht om de ergste nood te lenigen.

Ook kwamen verenigingen tot stand die tot doel hadden om de onderlinge band tussen vakgenoten te versterken. Dit gebeurde door het houden van bijeenkomsten waar over het vak werd gesproken, maar ook een biertje werd gedronken. Zo’n organisatie was de boekdrukkersvereniging Door Eendragt t’zaam Verbonden die in 1843 werd opgericht in Den Haag. Overigens was zij enkele jaren eerder in Breda voorafgegaan door een vereniging met dezelfde naam.

Twee jaar na de oprichting verbonden de leden ook een ziekenfonds en een pensioenfonds aan de Haagse club. Gezelligheid en financiële verlichting van moeilijke tijden gingen bij Door Eendragt t’zaam Verbonden hand in hand. Toch leefden onder de leden ook gedachten aan een betere wereld. In 1848 nam een aantal leden daarom deel aan een demonstratie voor grondwetswijziging. De gematigde leden zegden daarop hun lidmaatschap op.

Het coalitieverbod

Het overheersende beeld van de verschillende verenigingen is er een van volgzaamheid. Verscheidene patroons gaven daarom financiële steun. Ze konden in ruil daarvoor op dankbaarheid rekenen. Tijdens de eerste helft van de negentiende eeuw schikten de handwerklieden zich over het algemeen in hun lot. Het was hen sinds 1811 trouwens wettelijk verboden om zich te organiseren en zo loonsverhoging proberen te krijgen. In 1811 was in Nederland de Franse Code Pénal van kracht geworden en daarin was het zogeheten coalitieverbod opgenomen. De artikelen 414 en 415 luidden:

‘Alle onderlinge samenspanning of vereeniging van degenen, die handwerkslieden in het werk stellen, strekkende om tegen recht en billijkheid eene vermindering van het werkloon door te drijven, wanneer zij van eene poging of eenen aanvang van uitvoering gevolgd wordt, zal gestraft worden met gevangenzetting voor zes dagen tot eene maand en eene geldboete van tweehonderd tot drieduizend franken. Art. 415 Alle onderlinge zamenspanning of vereeniging van de zijde der werklieden, om te gelijker tijd het werk te doen ophouden, het werk in een fabriek of werkplaats te verbieden, het te werk komen en blijven voor of na zeker uur te beletten en in ’t algemeen, om den arbeid te doen staken, te beletten of duurder te maken, zoo wanneer er eenige poging in het werk gesteld of een aanvang met de uitvoering gemaakt is, zal gestraft worden met een gevangenis van ten minste een maand, en ten hoogste drie maanden. De hoofden of aanleggers zullen gestraft worden met een gevangenzetting van twee tot vijf jaren.’

Of in modern Nederlands: ondernemers die een werkgeversvereniging oprichten om het loon onredelijk te drukken, kunnen veroordeeld worden tot maximaal een maand gevangenis en een boete. Arbeiders die een vakvereniging oprichten om loonsverhoging te krijgen, kunnen maximaal vijf jaar krijgen. Zowel in de overtreding als in de strafmaat zaten de nodige verschillen. Werklieden mochten sowieso niet voor hoger loon optreden en de patroon mocht slechts geen onbillijke loonsverlaging nastreven. De maximum gevangenisstraf voor oproerige arbeiders was zestig keer zo lang als die voor een patroon in overtreding en de geldboete zal voor de patroon niet echt een probleem zijn geweest. Dit coalitie- ofwel organisatieverbod werd in Nederland enkele malen gebruikt om via de rechter stakers te bestraffen, maar nooit om een vakvereniging te verbieden. Toch hing dit verbod voortdurend als een zwaard van Damocles boven de hoofden van werklieden die een vakvereniging op wilden richten.

Koning Willem I

Na het gedwongen vertrek van de Fransen kwamen de Oranjes aan de macht. De eerste koning, Willem I - hoewel van goede wil en vol van het besef dat de economie weer moest worden opgebouwd - deed dit in de beste tradities van een monarchie. Regelgeving en staatsbedrijven waren zijn devies. Zijn bewind heeft de stoot gegeven tot een voortvarende uitbreiding van de infrastructuur (wegen en kanalen). Zijn grootschalig ingrijpen in het economisch leven bleek uiteindelijk echter verstikkend te werken.

De eerste stakingen

Vooral de ongeschoolde arbeiders die in het grondverzet en de veenderijen werkten, trokken zich van het coalitieverbod weinig aan. Tijdens jaarlijks terugkerende stakingen streden zij in de jaren 1810-1870 voor hoger loon. Zij deden dit soms met duizenden tegelijk en maakten daarmee de wet belachelijk. De eerlijkheid gebiedt echter te vermelden, dat justitie ook nauwelijks werk maakte van het afdwingen van de wettelijke bepalingen. Ook toen al was sprake van een gedoogbeleid. De overheid trad echter wel op wanneer ze verstoring van de openbare orde vreesde. Zulke verstoringen deden zich geregeld voor als stakers probeerden ‘onderkruipers’ te dwingen tot meedoen. Er werd dan door legereenheden hard opgetreden. Er vielen veel gewonden en soms zelfs doden tijdens de tientallen stakingen.

Nog geen vakverenigingen

Deze stakingen leidden niet tot blijvende verbonden van arbeiders. Wel gaven de ongeschoolde arbeiders blijk van goed inzicht wat nodig was voorafgaand en tijdens een staking. In 1840 bijvoorbeeld zochten de stakende veenarbeiders in Dedemsvaart steun bij een advocaat en de gouverneur. Tijdens een staking in Lonneker en Enschede in 1862 tekenden de stakers zelfs een contract, waarmee ze zich verplichten mee te doen. In dit soort gevallen is dus zeker geen sprake van ongerichte woede-uitbarstingen. Dat de arbeiders er niet toe kwamen om blijvende organisaties te stichten, heeft eerder te maken met het ongeregelde karakter van het grondwerk. De arbeiders werkten dan eens hier, dan weer daar. Sommigen kwamen zelfs uit Duitsland of België. En in de winter was er meestal geen werk. Kortom, geen omstandigheden waarin het voor de hand ligt om een blijvende organisatie op te richten, met contributie, een vast adres en een bestuur.

Handwerkers en voedselrellen

Dit was anders gesteld bij de handwerkslieden. Deze vakarbeiders richtten wel blijvende verbanden op, zoals de al genoemde ziekenkassen. Deze organisaties hielden zich echter weer niet bezig met de strijd voor hoger loon. Het voeren van stakingen was al helemaal niet aan de orde, want dan zou het coalitieverbod het bestaan van de organisatie in gevaar kunnen brengen. Bovendien voelden veel vaklieden zich ook een beter soort mens dan de ongeschoolde gravers en sjouwers. De omstandigheden waarin ze leefden, waren misschien niet veel beter, maar ze hadden toch het idee tot een andere stand te behoren. Dat gold niet alleen voor hen; het was een gevoel dat in de hele samenleving leefde, midden negentiende eeuw.

Daar kwam pas verandering in toen de ambachtslieden zich in hun bestaan bedreigd voelden. Technische ontwikkelingen veranderden binnen enkele tientallen jaren de inhoud van het werk, dat daarvoor lange tijd vrijwel gelijk was gebleven. Het vroegere gildewerk kon nu sneller en goedkoper gedaan worden door mensen met minder scholing. Bovendien ging het midden negentiende eeuw niet goed met de Nederlandse economie. In 1845 diende in heel Europa ook nog de aardappelziekte zich aan, waardoor de oogst mislukte en de prijzen van voedingsmiddelen stegen. In drie jaar tijd waren die prijzen meer dan verdubbeld, wat op verschillende plaatsen tot voedselrelletjes leidde. Bovenop dit alles kwam ook nog een cholera-epidemie, die duizenden levens kostte.

Revolutie ook effect in Nederland

De bestaande samenleving stond onder druk en in een aantal landen braken zelfs revoluties uit. De Nederlandse koning was hier zo van onder de indruk dat hij het roer omgooide en de grondwet wijzigde. Vanaf 1848 waren de ministers verantwoordelijk voor het beleid en werd de volksvertegenwoordiging, de Tweede Kamer, rechtstreeks gekozen. Ook kwam er vrijheid van godsdienst, naast de rechten van drukpers, vereniging en vergadering. Eindelijk kwamen de beginselen van de Franse revolutie van 1789 ook in Nederland tot wasdom.

De eerste vakvereniging

Niet alle burgers waren echter even gelijk, ondanks de revolutiebelofte van ‘vrijheid, gelijkheid, broederschap’. Arbeiders kregen geen stemrecht en hun grondwettelijk recht van vereniging werd nog steeds beperkt door het coalitieverbod. Ze mochten zich wel verenigen, maar niet om hoger loon te vragen. Toch is dat precies wat gebeurde. De politieke en economische veranderingen maakten de geesten van handwerkers rijp voor het doorbreken van de lethargie. In 1853 richtten Amsterdamse boekdrukkers de eerste vakvereniging op: Typographia. De doelstelling van deze organisatie was ‘door samenwerking den typograaf een menschwaardig bestaan te verschaffen’. Na enkele jaren ging Typographia weer ten onder, maar de teerling was geworpen. Er kwamen nu ook organisaties die zich meer ten doel stelden dan gezelligheid en verzekering tegen ziekte en begrafeniskosten.

In 1861 kwam in Amsterdam het Onderling Hulpfonds: Boekdrukkunst tot stand, dat zich sterk maakte voor werkloze typografen. Daaronder rekende de organisatie ook collega’s die weigerden beneden een bepaalde loonstandaard werk te aanvaarden. Een duidelijke daad van verzet. Om die reden ontmoette het Hulpfonds tegenwerking van de patroons. Het werd betiteld als een ‘luiaards fonds’, omdat het mensen die weigerden te werken een uitkering zou geven. 

Geen complotmakers

Het Hulpfonds stond bekend als een radicale organisatie, maar de leden beseften dat ze zich moesten inhouden. De woorden van de president uit 1861 spreken voor zich: ‘Om te zeggen, we moeten dadelijk meer loon hebben, dat gaat niet op, want men zou ons als complotmakers in de doos, d.i. in de gevangenis stoppen.’ Ondertussen werd het leven er voor de typografen niet beter op. De lonen bleven laag als altijd, maar de kosten van levensonderhoud stegen en de werkloosheid was voortdurend vrij hoog. In een ‘adres’ verzochten meer dan 230 Amsterdamse vakgenoten aan de patroons om de lonen te verhogen. Ze wezen daarbij op de ‘werkneerlegging’ in het buitenland. De schrijvers haastten zich vervolgens om te benadrukken dat dergelijk gedrag niet in overeenstemming was met het Nederlands volkskarakter, maar de toon was gezet. Ook elders in het land, en dan met name in Arnhem, groeide de roep om hoger loon. Deze beweging mondde uiteindelijk uit in een landelijk typografencongres op Tweede Paasdag 1866. De zestig afgevaardigden die 1430 leden vertegenwoordigden, stelden een looneis van vijftig procent en kozen een voorlopig bestuur. Op 1 juni 1866 tenslotte werd de Algemeene Nederlandsche Typografenbond (ANTB) gesticht, de eerste landelijke vakbond in ons land.

Werkgevers niet blij

De patroons reageerden dit keer minder welwillend dan bij de oprichting van de eerdere ziekenkassen en verenigingen. Op 1 juli ontsloeg drukkerij Thieme uit Arnhem het bestuurslid Goudemans. Maar de Amsterdamse patroons spanden de kroon met de invoering van een livret. Een livret was een boekje waarin de werkman en zijn gezin werden beschreven, evenals zijn gedrag. Bij verandering van betrekking diende hij dit boekje te tonen.

Ontslag bondsleden

In 1867 gingen de patroons pas goed in de aanval. Thieme in Nijmegen zette zijn werklieden onder druk om te bedanken voor de ANTB. Degenen die hier niet op ingingen, kwamen op straat te staan. Hieruit putte patroon De Weijer uit Utrecht voldoende moed om hetzelfde te proberen. Ondanks een korte staking in september lukte het hem zelfs om de bond in zijn bedrijf uit te schakelen. Nummer drie kwam opnieuw uit Arnhem. Hetzelfde bedrijf dat de aanval was begonnen met het ontslag van Goudemans, wilde nu van alle bondsleden af. Ook hier volgde een staking, die echter door onderkruiperij verloren ging. De ANTB stond onder grote druk en het ledental daalde fors. 

Toch waren er ook patroons die wel voelden voor een landelijk afgesproken tarief, omdat dat  een eind zou maken aan de loonconcurrentie. Er kwamen onderhandelingen tussen de bond en de patroons tot stand. Toen de patroons zich onverwachts terugtrokken, gingen in Amsterdam tientallen bedrijven spontaan in staking. De staking duurde kort en had niet het gewenste resultaat, maar wel stegen de lonen. Volgens voorzitter Petrus Werthweijn van het hulpfonds Boekdrukkunst gingen in deze paar weken de lonen meer omhoog dan tijdens de twintig jaar daarvoor.

Organisatievirus

Inmiddels greep het ‘organisatievirus’ om zich heen. Amsterdam werd de bakermat van veel vakverenigingen. Bijvoorbeeld van timmerlieden (Concordia Inter Nos, kortweg CIN en in het Nederlands, Samenwerking Onder Ons, 1865), schilders (Vooruitgang Zij Ons Doel, 1866) en meubelmakers (Amstels Eendracht, 1868). Deze laatste organisatie kwam voort uit een ziekenkas, het in 1864 opgerichte Eendracht Verzacht. Uit een jaarverslag van die tijd blijkt dat in 1870 een kwart van de twaalfhonderd Amsterdamse meubelmakers lid was van de vakbond. De leden gingen niet fanatiek naar de maandelijkse vergaderingen, maar de driemaandelijkse bijeenkomsten - opgeluisterd met zanguitvoeringen - werden beter bezocht. De bond was naast belangenbehartigingsorganisatie ook een verzekeringsinstituut. Het bestuur keerde geld uit bij ziekte, overlijden en brandschade. De leden die contributie betaalden, werden gerustgesteld. ‘Daar de zieken voortdurend ijverig door de leden der subcommissie werden bezocht, durven wij hier gerustelijk te verzekeren, dat er geen gevallen zijn gepasseerd en geene gelden zijn uitgekeerd, aan zulke zaken, welke wij met den titel van luiheid enz. zouden kunnen noemen.’

Amstels Eendracht zocht vrijwel direct na haar oprichting contact met een soortgelijke organisatie in Haarlem. De besturen besloten nauw samen te gaan werken en ‘kennismaking en verbroedering’ met vakgenoten elders in het land te bevorderen. De uitbreidende contacten mondden tenslotte uit in de oprichting van de Nederlandsche Meubelmakersbond. De oprichtingsbijeenkomst in december 1870 werd bijgewoond door afgevaardigden uit Amsterdam, Arnhem, Den Haag, Utrecht, Rotterdam en Nijmegen.

Bijzonder geval

De oprichting van de organisatie van scheepstimmerlieden in Amsterdam is een bijzonder geval in de geschiedenis van het vakverenigingswezen. Deze kwam niet voort uit een al bestaande ziekenkas of uit het gevoel onder vakgenoten dat er iets moest gebeuren om de werkomstandigheden te verbeteren. De oprichting kwam namelijk tot stand op de eerste dag van een staking. Deze brak uit op 29 april 1869. De onrust en staking waren het gevolg van de gestegen huren en gericht op een loonsverhoging van 1 gulden 80 naar 2 gulden per dag. Daarnaast wilden de scheepstimmerlieden korter werken: van veertien naar twaalf uur per dag. De staking was voorafgegaan door een verzoekschrift, dat door achthonderd arbeiders was ondertekend. Toen op 18 mei onderkruipers nagelopen en uitgescholden werden, kwamen huzaren de rust handhaven. Vier dagen later gingen 320 arbeiders weer aan het werk, op de oude voorwaarden. Toch kende de staking een goede afloop, ondanks onderkruiperij en ingrijpen van het leger. De loonsverhoging werd toch gegeven, omdat het werk van de vaklieden niet door onderkruipers van buitenaf overgenomen kon worden. Wel werden de stakingsleiders in het vervolg van werk uitgesloten.

Uitgemergelde mannen en vrouwen

Het ontstaan van de vakverenigingen rond 1870 verliep vaak aarzelend, maar in ieder geval enthousiast. Uit een recent onderzoek naar het aantal vakverenigingen in Nederland blijkt dat dit aantal alle voorstellingen te buiten gaat: er werden vele honderden geteld. Terwijl deze organisaties in moeilijke omstandigheden moesten zien te overleven. Beter dan wie ook heeft een van de eerste geschiedschrijvers van de Nederlandse vakbeweging, Oudegeest, dit onder woorden gebracht. Volgens hem was de arbeidersbevolking van Nederland voor een belangrijk percentage analfabeet. Dat kwam omdat het tot 1896 duurde voor de leerplichtwet werd ingevoerd. In de ondernemingen werkten verzwakte, uitgemergelde mannen en vrouwen, die ook hun kinderen twaalf uur of langer per dag lieten werken.

Deze ouders wisten niet beter, aangezien zij in hun eigen jeugd hetzelfde hadden moeten doen, of - wat erger was - uit families kwamen die tot de bedeelden hadden behoord. ‘Een afgestompt, uitgemergeld, kraakbenig geslacht van arbeiders werkte voor vijf en zes gulden per week in een tijd dat het brood verschrikkelijk duur was; in een tijd, waarin een mud slechte aardappelen 3 gulden 48 kostte en men voor een tochtige en vochtige zolderkamer, waar de hele familie in huisde, 1,50 of 1,60 huur moest betalen. Dit ongezonde ras van slaven sloofde soms vijftien of zestien uur per dag, zonder enig besef van de toestand en zonder enig begrip van de middelen, die zouden kunnen dienen om de omstandigheden te verbeteren. Dit ras zwoegde voort zonder enige hoop, zonder enig vertrouwen in zichzelf, zonder enige verwachting van de toekomst, zonder enig ideaal voor het leven van hun kinderen.’

Strijd voor een beter bestaan

‘Stellen wij ons de moed voor van de mannen, die in deze omgeving het recht van de arbeider verkondigden en die trachtten om de slaven op te wekken om een beter bestaan te veroveren’, vervolgt Oudegeest. ‘Stellen wij ons voor, dat deze mensen zelf vijftien of zestien uur per dag werkten en geregeld ook tijdens de zaterdagnachten, de zon en feestdagen. Stellen wij ons deze mensen voor, die van stad naar stad trokken, met opoffering, niet alleen van hun vrije tijd, maar ook van een deel van hun weekloon, met terzijdestelling van de belangen van hun gezin, dat zeker niet beter geworden is van deze arbeid ten bate van ’t algemeen. Stellen wij ons hen voor, zoals zij soms zaterdagavond, soms zondagmorgen op reis moesten in een land met weinig vervoermiddelen.’
En toch hebben, aldus Oudegeest, ‘deze moedigen de arbeid aangevat en toch hebben zij doorgezet en toch hebben zij, geminacht en verguisd, op straat gesmeten door hun bazen, toch hebben zij volhard.’

‘Deze moedigen hebben de arbeid aangevat, doorgezet en volhard, ondanks alle minachting en verguizing’

Bewonderenswaardig

De hierboven genoemde leefomstandigheden in de negentiende eeuw maken het des te bewonderenswaardiger dat kleine groepen arbeiders het toch aandurfden om op te komen voor wat zij als recht zagen: hun recht op een fatsoenlijk bestaan en hun strijd tegen een onwillige overheid en vijandige werkgevers. In die zin is de moderne vakbeweging schatplichtig aan die eerste activisten, aan de boekdrukkers en letterzetters die in 1866 het initiatief namen tot oprichting de ANTB. Het gedenkboek dat naar aanleiding van de eerste halve eeuw van de bond werd geschreven door toenmalig voorzitter F. van der Wal, is dan ook nog steeds de moeite van het lezen waard. Van der Wals graf, dat de jaren heeft overleefd, kan mooi dienen als gedenkteken voor die eerste vakbondsstrijders.

bronnen
  • Jacques J. Giele, De eerste internationale in Nederland een onderzoek naar het ontstaan van de Nederlandse arbeidersbeweging van 1868 tot 1876, Nijmegen: SUN 1973
  • B.H. Heldt, Algemeen Nederlansch WerkliedenVerbond 1871-1896, Leeuwarden 1896
  • Piet Hoekman en Jannes Houkes, Het Nationaal ArbeidsSecretariaat 1893-1940, dissertatie Universiteit Utrecht 2015
  • Ruben Post, Voor stoffelijke welvaart en zedelijke waarde. Het Algemeen Nederlandsch WerkliedenVerbond 1871-1885, Groningen 2000
  • Wetboek van het strafrecht. Officieele uitgave, Amsterdam 1811
  • Arno Bornebroek, De strijd voor harmonie. De geschiedenis van de Industrie en Voedingsbond CNV 1896-1996, Amsterdam: Stichting Beheer IISG 1996
  • A.J.M. Brouwer Ancher, De gilden,’s Gravenhage 1895
  • B. Bymholt, Geschiedenis der arbeidersbeweging in Nederland, Amsterdam 1894 (herdruk 1975, Van Gennep Amsterdam)
  • Ger Harmsen & Bob Reinalda, Voor de bevrijding van de arbeid. Beknopte geschiedenis van de Nederlandse vakbeweging, Nijmegen 1975
  • J. Oudegeest, De geschiedenis der zelfstandige Vakbeweging in Nederland, deel 1, Amsterdam 1926
  • F. van der Wal, De oudste vakbond van ons land 1866-1916. Ontstaan en vijftigjarige werkzaamheid van den Algemeenen Nederl. Typografenbond, Nijmegen 1916